- het begin van onze religieuze tradities. Dit boek van Karen Armstrong (zie vorige log) is allereerst een geschiedenisboek. Een uitmuntend, zeer gedetailleerd geschiedenisboek, de schrijfster heeft een werkelijk kolossaal aantal titels geraadpleegd over de vier besproken tradities – de Griekse, Joodse, Perzich/Indische en Chinese. Het boek is vanwege de schat aan informatie en de heldere en elegante schrijfstijl meer dan het aanbevelen waard.
Is het mogelijk historische feiten objectief weer te geven? Of zal bij elke vorm van geschiedschrijving altijd een aspect van de gekozen presentatievorm een interpretatie blijven impliceren? En betekent interpretatie altijd vervorming van de objectiviteit? Armstrong’s opzet is in elk geval duidelijk: de vier tradities worden in de periode 1600-200 v.C. doorgelicht op overeenkomsten in de ‘tijdgeest’. Elk hoofdstuk correspondeert met een periode en doorloopt de tradities, de titel van het hoofdstukverwoordt het gemeenschappelijke element. De opeenvolging van titels wil daarbij een vooruitgang openbaren om als lichtend voorbeeld uit het verleden ons hoop voor de toekomst te geven. De keuze om de periode 1600-200 v.C. een voorbeeldfunctie toe te kennen is geinspireerd op de denkbeelden van de filosoof Karl Jaspes die de periode 900-200 v.C. ‘Die Achse der Weltgeschichte’ noemde: volgens hem de belangrijkste intellectuele en spirituele periode van de mensheid die tot op de dag van vandaag onze leefwereld cruciaal gevormd heeft. Armstrong vertaalt deze term als de Spiltijd.
Hoofdstuk 1: De volkeren der Spiltijd (1600-900)
Zuid-Rusland: Aryers leefden tot ongeveer 1500 een rustig bestaan. Elk natuurfenomeen was een persoonlijkheid, Later ontdekking werktuigen en transportmiddelen, waardoor rooftochten mogelijk werden. Zarathoestra (ca. 1200) wilde een eind aan dit geweld maken en predikte vrede, rechtvaardigheid en monotheisme. De echte krijger vocht tegen zinloos geweld.
India: invasie van Aryers. De Rigveda was een verzameling dichtwerken met mythen. Offerrituelen om evenwicht met natuur te waarborgen. Ontwikkeling van het idee van ‘brahman’, de meest verheven werkelijkheid, allesomvattend, ondefinieerbaar.
China: Regerende prinsen waren godenzonen, sterke scheiding tussen aristocratie en werkende klasse. Rituelen om natuur te beheersen. Hertog Zhou schreef de Shujing tegen tirannie en corruptie: een nieuwe orde.
Israel: onduidelijk, bijbelfeiten zijn veel later opgeschreven. Uittocht uit Egypte zeer onwaarschijnlijk vanwege ontbreken archeologische feiten. Richtertijd wel annemelijk. Godsdienst polytheistisch met offerrituelen voor natuurfenomenen.
Hoofdstuk 2: Rituelen (900-800)
Er volgt eerst een korte uiteenzetting van Myceens Griekenland vanaf 2000. Mythen en rituelen verwijzen naar wat onzegbaar en verboden was. Twee oermachten: Chaos en Gaia, die voor een nageslacht zorgden , opklimmend in specificatie. Rituelen om angst te beleven en onder ogen te zien.
Israel: In 926 verwoest farao Sisek alle Kanaanitische bolwerken. Israel beoefende, aangemoedigd door profeten (o.a. Elia), de monolatrie: andere goden bestonden wel, maar moesten worden genegeerd, wat in de ogen van het gewone volk onverstandig leek (zoveel mogelijk goden om zoveel mogelijk elementen uit de natuur te beheersen).
China: Leven beheerst door ritueel, koning had opperste macht. Crisistijd omdat rituelen niet de gewenste uitwerking hadden, reactie was nog meer rituelen.
India: Samenleving raakte gestructureerder, rituelen werden geperfectioneerd. Ontwikkeling richting persoonlijke(r) toewijding, zelfopoffering.
Hoofdstuk 3: Kenosis (800-700)
Dit woord wordt uitgelegd als ‘leegmaken’, het ontdoen van zelfzuchtigheid.
Israel: Bloeiperiode, maar groot verschil tussen rijk en arm. Rituelen veranderden: het goddelijke volgde uit het omdraaien van sociale rollen zoals Abraham die vreemdelingen gastvrij ontving, en het offeren van zijn zoon. In de 8ste eeuw wordt Israel ingelijfd bij het grote Assyrische rijk, maar Jeruzalem houdt stand.
Griekenland: Ontwikkeling polis, kleine onafhankelijke door burgers bestuurde stadstaat. Opkomst heldencultus en spelen, die ook een rituele functie hadden. Homerus schreef eind 8ste eeuw Ilias en Odyssee: veel informatie uit mondeling overgeleverde tradities. Voornamelijk heldencultus, maar Achilles laat kenosis blijken door samen met de vader van de door hem vermoordde Hector te huilen. Godencultus bleef echter bij het oude.
China: Overgangstijd van monarchie (Zhou-koningen) naar prinselijke macht in de steden. Rituelen werden gematigd.
India: Tijd van de wereldverzakers, inwendiger liturgie. Doel was het ontdekken van het absolute door bewustwording van het diepste zelf.
Hoofdstuk 4: Kennis (700-600)
India: Kennis van de werkelijkheid door lange training en meditatie verkregen: niet door logica of zintuigen. Werkelijkheid is onzegbaar, maar training geeft kennis ervan.
Griekenland: Politiek onrustige tijd. Hesiodus schreef wereldgeschiedenis waarin hij pleit voor het loslaten van het heldenideaal, voor berusting. Het rituele spel werd echt, verpersoonlijkte.
China: Ritueel gehandhaafd vanwege de schoonheid (in oorlogvoering), moest edelheid van de prinsen verhogen. Het leven was geritualiseerd, ook de vader-zoon verhoudingen.
Israel: In Deuteronomium geheel nieuwe wetgeving, wel geput uit oude bronnen. Alleen Jahweh dienen. Religie richting dogmatische geschreven tekst, toch vasthouden aan het onuitspreekbare. Politiek was er geen onafhankelijkheid.
Hoofdstuk 5: Lijden (600-530)
Israel: Verwoesting Jeruzalem, wegvoering naar Babylonie. Klaagliederen en Job werden geschreven, maar de aanvaarding van de ontheemding smaakte zoet (Ezechiel die de rol opat). Heiligheid door in de geest van de wet te handelen zonder de daarwerkelijke tempel. Genesisverhaal opgeschreven: een vreedzaam godsbeeld, niet tegen Babyloniers (gedeeltelijk).
Griekenland: Crisis in Athene. Heerser Solon wilde orde scheppen op sociaal niveau: evenwicht. Er was rituele overgave: Dyonisische mysterieen, in trance raken, ‘entheos’-ervaring. Alleen Orfische sekte wilde het lijden verzachten met de kunst. Pythagoras was voor de zuivering van het lichaam van de omgeving. Filosofen Thales (alles=water), Anaximenes (alles=lucht), en Anaximander (alles=to apeiron) hadden niets met de spirituele remede voor het lijden te maken, zochten het in rationele orde.
India: Wereldverzaker Shanky zei dat er drie lijnen in de werkelijkheidsbeleving waren: Satta (intelligentie, hoogste), Rajas (passie, daaronder) en Tamas (inertie, laagste vorm). Ging uit van het idee dat het leven dukkha (=lijden, onvolmaaktheid) was, moest bevrijd worden.
China: Crisis, oorlogen lieten rituelen los, hebzucht agressie en hang naar luxe vierden hoogtij.
Hoofdstuk 6: Empathie (530-450)
China: Confucius ageerde tegen loslaten van de rituelen. Discussie belangrijk, geen ascetisch ideaal, maar sociaal: “Arm maar verrukt over de Weg; rijk maar student van de riten.”
Midden-Oosten: Cyrus heerste vanaf 539 als Perzische bevrijder over het Babylonische rijk, beloofde Jeruzalem te herbouwen. 2de Jesaja profeteerde over Jezus: voor het eerste wekelijk montheistisch: “Alle volken laten zien dat er maar een God is”) Tempel werd moeizaam herbouwd (520).
Griekenland: Cleisthenes verdreef de in 510 invallende Spartanen en hervormde staatsbestel. Regerende adel, raad van 500 als controlerend orgaan. Wens naar evenwicht: Heraclitus, leer van tegenstellingen. Parmenides: alle verandering is illusie, alles is een geheel, eeuwig Zijn. Xerxes in 480 verdreven met list door Athene te verlaten en te laten verwoesten, was een morele overwinning. “Alles doen om tragedies te vermijden, maar wanneer ze alles hadden geprobeerd, konden ze alleen maar moedig en onverschrokken hun lot accepteren.” (p.284)
India: Handelsroutes werden uitgestrekter en beter, daardoor betere handel en meer machtsspanningen. Wereldverzakers werden door toename geweld wanhopiger, extremer. Makkhali Gosala: “Elke menselijke inspanning is zinloos” (p.293). Mahavira: predikte discipline en Gulden Regel: de ander behandelen zoals jezelf behandeld wilt worden (Jainisme).
Hoofdstuk 7: Zorg voor iedereen (450-398)
Israel: Jeruzalem werd een nationalistisch bolwerk onder Nehemia: bouwde muur, Ezra las de wet voor, gekant tegen buitenlandse vrouwen.
Griekenland: Filosofen werden cryptischer, Zeno: logische absurditeit, Democritus: werkelijkheid bestaat uit onzichtbaar kleine bouwstenen. Reactie sofisten, pragmatische ‘gezond-verstand’-redenaars. Euripides: weet niet of god bestaat. 430: Peloponnesische oorlog tussen Athene en Sparta, zich voortslepende, zinloze oorlog. Socrates predikte nieuw soort dialectiek. 405: overgave Athene, regering door 30 pro-Spartaanse aristocraten. Socrates werd zondebok: vrienden van hem waren niet pro-Spartaans en hij bedierf de jeugd. Nam waardig de gifbeker, steeg boven omstandigheden uit.
China: Na dood Confucius periode van Strijdende Staten. Zeer gewelddadige en verkwistende tijd met constante oorlogvoering. Pragmatisch spiritueel leider Mozi (meester Mo) daartegen, vond discipline belangrijk (itt Confucius), wel egoisme vervangen door algemeen altruisme=versie van Gulden Regel.
India: eind 5de eeuw werd Siddharta Gautama wereldverzaker. Alle zelfverzaking hielp niet. Conclusie was dat hij alleen zijn eigen inzichten nog vertrouwde. Innerlijke vrede niet door verzaking maar door de wereld niet het leven te laten beheersen. Vier Edele Waarheden: het bestaan is dukkha, ons lijden wordt veroorzaakt door begeerte, er is een uitweg uit dit dilemma, wijsheid is te integreren in het dagelijks leven: nirvana=gedoofd, het vuur van hebzucht, haat en waanbeelden. “Inzicht moet zelf verworven worden, leraar is niet belangrijk: de zorg voor iedereen vanuit een zelfliefde, iemand die zijn zelf liefheeft wil het zelf van anderen geen kwaad berokkenen.” (p.350)
Hoofdstuk 8: Alles is een (400-300)
China: economische expansie om oorlog te betalen. Yangzi bekritiseerde Confucius en Mozi: ieder voor zich, niet ingaan tegen menselijke natuur. Tegenreactie later door spiritualisten, die mediteerden op de ‘oerenergie’ qi, in geconcentreerde vorm de ‘essentie’. Huizi als tegenhanger van Heraclitus (“Alles wat geboren wordt, begint te sterven”, p.358). Vele andere denkers (Zhuanghi, Mencius) onderschreven Gulden Regel.
India: Maherabhata, het grote heldendicht, het veel lagen uit vele tijden. Moraal: hoe kon geweldloosheid worden verzoend met het verdedigen van de gemeenschap? Voorbeeld is de mythe over Krisjna die adviseert een strijd te winnen door een leugen aan de vijand te vertellen, wat tegen de rite en eergevoel inging, maar de goddelijke orde wel waarborgde. “Uit het epos blijkt het verwarrende effect dat de Spiltijd had op sommige leken[ ] die zich niet meer konden aansluiten bij de wereldverzakers en yogi, maar merkten dat het oude vedische geloof ook geen steun meer bood.” (p.380)
Griekenland: Plato was 30 toen Socrates veroordeeld werd. Had connecties in pro-Spartaanse regering en die wilden hem daarin. Door proces-Socrates was hij echter gedesillusioneerd en trok zich terug, o.a. bij de Pythagoreers (wiskunde). Toen hij terugkeerde was Athene in chaos: in 370 werden 1200 aristocraten doodgeknuppeld in Argos, en in Tegea de leiders van de oligarchie afgeslacht. Hij stichtte school voor wiskunde en filosofie: Academia. Moedigde hier onafhankelijk denken aan. Ideeenleer: het denkbeeld dat bv. deugd niet te construeren was uit voorbeelden, maar deel was van een realiteit op een hoger plan. Idee betekende vorm, patroon of essentie. “Plato’s filosofische begrip kan worden beschouwd als een rationele verklaring van de oeroude mythische idee van de eeuwige wijsheid waarin elk voorwerp en elke gebeurtenis op aarde zijn tegenhanger heeft in hemelse sferen. Deze zienswijze was uiterst belangrijk geweest in de religies voor de Spiltijd, dus zal Plato’s idee [ ] op zijn tijdgenoten minder vreemd zijn overgekomen dan op de moderne lezer.” (p.385) Toepassen van zuivere rede i.p.v. zintuiglijkheid die doortrokken is van dukkha. Toch was kennis van ideeen aangeboren. Vanwege zuivere rede moest de staat worden bestuurd door enkele zuivere heersers, die de staat zuiverden, o.a. door eugenetica. De tragedie moest worden afgeschaft, was niet niet goed voor de zelfbeheersing, geen deugd, evenals de kunst. De Wetten, zijn laatste werk, hierin bleef de godencultus belangrijk: theocratie, het inprenten van “de juiste gedachten over de goden, en daarnaar te leven: goed of niet goed.” (p.395) Doodstraf voor diegenen die zijn mening niet deelden. Scheiding tussen wiskundige wetenschap en spiritualiteit, leerling Aristoteles zette die nog verder door. Die onderschreef het gebruik van de rede zoals Plato deed. Denken over het denken was het leven zelf. Theologie was de eerste filosofie; God als logische uitkomst van de rationele wetenschap: Eerste Beweger. Had niets spiritueels: metafysica is wat na de fysica komt.
Hoofdstuk 9: Wereldrijk (300-220)
China: Economische positie werd als belangrijk ervaren, de legalisten waren politieke wetenschappers die orde in de samenleving schiepen op rationele gronden. Pragmatisme boven theoretische deugd. “Door af te zien van kennis, bezit hij vooruitziendheid, door af te zien van waardigheid behaalt hij resultaten, door af te zien van moed verwerft hij kracht.” (Han Fei, p. 409) Xunzi probeerde later te bewijzen dat met ratio een moreel zuivere maatschappij met vrede en rust door goede opvoeding mogelijk is. De Tao-tse-ting (Boek van de Weg en de Deugd) van Lao-tse sluit bij legalisten aan maar is spiritueler. Het fundamentele is naamloos en ongezien: de Leegte. “Het zijn heeft zijn voordeel, maar van het niet-zijn komt het nut.” (p.420) Legalisten wonnen de slag in de Strijdende Staten, niet een mystieke leider: Spiltijd-idealen worden bedreigd.
Griekenland: Alexander de Grote breidde zijn rijk uit. Botsing van beschavingen in het oosten. Zinloze veldtochten. Filosofie mondde uit in apathie: het ging om onaangedaanheid, ‘ataraxia’ scepticisme, aanvaarding van de status-quo.
India: Asoka besteeg in 268 de troon, werd beschermheer van boeddhisten. Na het zien van de verschrikkingen van de oorlog wilde hij het militarisme door ahimsa vervangen (geweldloosheid). Na zijn door politieke instabiliteit. Bhagavad-gita (Lied van de Heer) werd aan de Maharabhata toegevoegd; bezield door afkeer van geweld. Leer van de dharma (o.a. terugkeer), moest vooral toegankelijk zijn voor gewone volk en is daarom wellicht de meest invloedrijke Indiase tekst.
Hoofdstuk 10: De weg voorwaarts
China: Na 220 was er een gecentraliseerd Qin-rijk. Opkomst van het Yin-Yang-concept; dateerde echter van voor-Spiltijddenkers. Minister Li-Si standaardiseerde en beperkte de literatuur. Hierna opstand en beweging richting syncretisme. “In China wordt vaak gezegd dat iemand overdag confucianist kan zijn en ‘s avonds taoist.” (p.453)
India: Klassieke hindoeisme op de voorgrond, minder elitair gemaakt: bhakti-revolutie, een duidelijke godheid. Boeddhisme in 2 stromingen: Theravada (afzondering) en Mahayana (mededogen). Heldenfiguur 1e eeuw n.Chr. de bodhisattva.
Israel: Farizeeen hadden boodschap van liefde en “doe uw naaste niet wat u een gruwel is” (p.461) en god hoefde niet alleen in de tempel worden aanbeden. Ultieme werkelijkheid is transcendent en onbenoembaar. Christendom begon als een kleine beweging. Jezus leer week niet veel af van Farizeisme. Paulus trasformeerde die leer in verlossingsleer (zijn invloed ook in evangelieen).
Arabie: Mohammed 7de eeuw n. Chr. Geen doctrine, islam betekent overgave, tazeqqah mededogen, vrijgevigheid. Mohammed was tegen geweld. alleen om te verdedigen.