geselecteerd als gefixeerd bericht

Welkom op de privxe9log van Bert den Hertog!
Dit is vanaf heden de filosofielog van Bert den Hertog geworden. Alle orgelzaken leest u op de weblog bertdenhertogorganist.web-log.nl.

Filosofie is al enige tijd een hobby van me, en de creaties en hersenspinsels zullen hier, voorzover ik die geschikt acht zullen hier te lezen zijn.

Ook zal er over allerlei bizarre muzikale uitstapjes te lezen zijn, favoriete dirigenten, pianisten etc….
Veel plezier!

15 November 2006
By on 07:12
De grote transformatie van De Grote Transformatie

Uit de samenvatting in telegramstijl in onderstaande log blijkt wel dat Armstrong een zeer breed opgezet boek heeft geschreven. Het spectrum aan topografische, politieke, religieuze, antropologische, psychologische etc. invalshoeken is enorm. Hierdoor is het boek grotendeels een opsomming van feiten en verbanden. Toch ambieert Armstrong xe9xe9n bepaalde boodschap te destilleren: de zorg voor allen, mededogen, de Gulden Regel en het niet egoistisch willen vast blijven houden aan xe9xe9n opvatting belichamen die boodschap. Hoezeer deze boodschap ook bewonderenswaardig is, de vorm die het boek heeft vertoont teveel hiaten. De poging om de Spiltijd onder te verdelen in perioden van ongeveer honderd jaar met een bepaald kenmerk, zorgt maar voor een marginaal aantal opmerkelijke parallellen tussen de tradities. Natuurlijk is er in de periode die in Hoofdstuk 1 en 2 behandeld wordt hoofdzakelijk sprake van een ritualistische religiositeit; maar zelfs hier wijkt de leer van Zarathoestra al belangrijk af van de andere tradities. Zarathoestra’s leer is immers al geheel in de geest van de latere Spiltijd, een sociale, geweldloze boodschap. In hoofdstuk 3 is er in de Abraham-verhalen weliswaar kenosis, maar de Achilles-Priamus confrontatie als Griekse pendant De poging om de Spiltijd onder te verdelen in perioden van ongeveer honderd jaar met een bepaald ervan lijkt erg gezocht, en Armstrong weet niet aannemelijk te maken dat dit element een meer dan marginale rol in de Griekse samenleving speelde. De wereldverzakers in India waren een veel reelere verwerkelijking van kenosis, helaas was er echter in hetzelfde hoofdstuk in China uberhaupt geen spoor van kenosis te bekennen. Zo ook hoofdstuk 4, dat de titel kennis draagt: in geen enkele behalve de Indiase religie komt dat duidelijk naar voren. Het hoofdstuk 5 (lijden) is iets overtuigender, behalve voor de Indiase traditie, omdat hier de overige 3 tradities inderdaad politiek een periode vol lijden doormaakten. In hoofdstuk 6 is empathie weliswaar in een aantal religies te vinden, maar Griekenland is hier duidelijk in de kenosis-fase, vanwege de manier waarop Xerxes werd overwonnen.

Zo heeft praktisch elk hoofdstuk eenzelfde soort tekortkoming. Het probleem van het boek is niet zozeer de berichtgeving, die gedetailleerd, helder en eloquent geformuleerd zijn weg naar de lezer vindt, maar wel het feit dat Armstrong wil laten doorsijpelen het boek als mxe9xe9r dan alleen een geschiedenisboek (zoals de Geschiedenis van God dat was) neer te willen zetten. Het betogende element strookt dus niet met de gekozen hoofdstukindeling.

Een goed betoog destilleert uit de feiten een aantal samenvattende en/of overlappende elementen. Dit destilleren moet mijns inziens zo transparant mogelijk gebeuren: vanuit welke invalshoek wordt zo’n element gedestilleerd? Zo is er in xe9xe9n en dezelfde periode in de ene traditie sprake van een psychologische kenosis, onderhuids, of zelfs alleen in de poezie of proza uit die tijd, terwijl in de andere traditie de kenosis in politiek, economisch of militair opzicht uit de verf komt. Armstrong doet helaas niet haar best om dat onderscheid of de verbanden tussen dit verschil in manifestaties helder voor te stellen, wat jammer is, want een schrijver van haar statuur verdient het gelezen te worden, ook vanwege de boodschap die zij eenieder mee wil geven.

Het alternatief

Hoe kunnen de historische feiten ingedeeld worden, zo, dat er een overtuigende parallel zichtbaar wordt tussen de verschillende religieuze tradities? Een beknopte inventarisatie:

India:
Rituelen om natuur te beheersen
l
Perfectionering van de rituelen, meer overgave vereist
l
Verinnerlijking overgave: alleen voor de elite
l
Formulering van leer in stellingen, ontstaan hierarchie
l
Teleurstelling in effectiviteit van deze leer als kennis
l
Nihilisme: er bestaat geen absolute kennis
l
Boeddha formuleert Gulden Regel
l
Religie wordt toegankelijker

China:
Rituelen om natuur te beheersen
l
Meer rituelen
l
Toepassing wapens en voertuigen als effectievere omgevingsbeheersing: geweldexplosie
l
Confucius strijdt voor restauratie, sociaal ideaal
l
Periode Strijdende Staten: toepassen effectieve machtsinstrumenten
l
Formulering relativerende kennis van Huizi en Mencius
l
Legalisten met traditioneel trekje zijn winnende partij: staat Qin
l
Syncretisme: overdag confucianist, ‘s avonds taoist

Griekenland:
Rituelen om natuur te beheersen, godenwereld
l
Dionysische feesten als grootschalig ritueel
l
Tragediespelen als persoonlijk ritueel voor verwerken politieke rampen
l
Hang naar orde (Solon) en geordende kennis van de werkelijkheid (Thales, Heraclitus)
l
Verwoesting Athene en verdrijving Xerxes: kenosis
l
Peloponnesische oorlog, val Athene, filosofie cryptischer, meer voor elite (Parmenides, atomisten)
l
Plato en Aristoteles bewerkstelligen synthese tussen kennis en restauratie spiritueel ritueel (Ideeen)

Israel:
Offerrituelen aan vele goden om natuur te beheersen
l
Persoonlijker overgave, spirituelere godsbeleving (Abraham)
l
Formulering wetten in Deuteronomium: monotheisme
l
Verwoesting Jeruzalem, Babylonische ballingschap: leer wordt betwijfeld
l
Bevrijding: meer empathie
l
Restauratie met universeel empathishe boodschap (Farizeisme, Jezus).

Het meest algemene wat we kunnen opmerken over de periode van 1600 v.Chr. – het begin van onze jaartelling is de transformatie van een rituele praktijk gericht op het beheersen van de natuur door bemiddeling van een fictieve goden- of krachten wereld, via een besef dat de natuur zich niet zo laat bedwingen en daarom een reeelere (monotheisme en gedetailleerde voorschriften in Israel), harmonischer (de Griekse filosofen Thales, Anaximenes, Anaximander en Heraclitus), efficientere (Chinese uitvinding van wapens en voertuigen en de Strijdende staten), meer hierarchische (Indiase onderscheid tussen wereldverzakers en gewone burgers) invulling van het al dan niet aan een godsdienst verbonden gevoel van grip op de werkelijkheid. Het tweede dat opvalt, is dat naarmate deze periode van het streven naar voornoemde werkelijkheidsbelevingen voortduurt, in elke traditie een uiteindelijke onvrede of teleurstelling over de verworven kennis of de ingestelde machtsstructuur de van de gemeenschappelijke psyche bezit neemt. In Israel, Griekenland en China kan de oorzaak hiervan gezocht worden in de ingrijpende catastrophale gebeurtenissen zoals de verwoesting van Jeruzalem, de Peloponnessische oorlog en de periode van de Strijdende Staten, in India was de transformatie meer van binnenuit, vanuit het besef dat het steeds extremer ascetisme van de wereldverzakers te ver afstond van de gewone man. Dit is de periode waarin de aanvankelijke euforie van wetenschappelijke en spirituele ontdekkingen en ordeningen de grond in werd geslagen. Zeker in dit opzicht laat Armstrong hier enkele belangrijke mogelijkheden om door te steken naar de moderne tijd liggen. Want waarom is het dus blijkbaar niet toevallig dat een samenleving die zich richting grotere efficientie en een eenvormiger organisatiestructuur (vgl. globalisering!) beweegt bedreigd wordt in de rechtmatigheid van diens voortbestaan? Het voert wellicht te ver om eenvoudigweg als wetmatigheid te destilleren dat cultivatie tot evenwichtsverstoring en dus oorlog leidt, maar het lijkt me met deze kennis toch meer dan aannemelijk te stellen dat een samenleving die in korte tijd een grote ontwikkeling doormaakt meer kans heeft om een kloof te creeren tussen samenlevingen die hiervan geen deelgenoot zijn, of die zich in een ander opzicht hebben ontwikkeld. Deze kloof kan overbrugd worden, dat is waar Armstrong uiteindelijk op doelt, zo laten de belangrijke Spiltijd-denkers als Confucius, Boeddha en Plato zien, door het besef dat zonder verbinding met een gemeenschappelijke spirituele beginsituatie alle wetenschappelijke en godsdienstige ‘verworvenheden’ niet meer dan loze, en bovendien niet ongevaarlijke, kreten blijven. Deze historische motivering is, althans voor mij, een veel klemmender oproep naar een evenwichtige wereld te streven dan Armstrong’s weekmakende oproep tot transcendentie die zij in het laatste hoofdstuk doet om louter naar de spirituele kern van elke religie te zoeken en die meent te hebben gevonden in de Gulden Regel. De homo religiosus gaat op deze manier een wat utopisch karakter krijgen, en Armstrong’s preek krijgt zelfs clichxe9matige trekjes: “Ten eerste moeten we aan zelfkritiek doen.[ ] Ten tweede moeten we praktisch, doelgericht in actie komen.” (p.479). Zij bedoelt dit dan, zo blijkt uit de uitleg, alleen met betrekking tot de religieuze mens. Maar wat mij interesseert, en mij veel belangwekkender toeschijnt, is juist die relatie van de economische, de politieke, de wetenschappelijke mens met de religieuze mens. Want de mens zal geen fijne neus voor wijsheid krijgen zonder dat die eerst op de harde feiten is gedrukt. Dan zal zelfkritiek en praktische, doelgerichte actie geen verdere aansporing meer behoeven.

28 February 2006
By on 09:40
De Grote Transformatie

- het begin van onze religieuze tradities. Dit boek van Karen Armstrong (zie vorige log) is allereerst een geschiedenisboek. Een uitmuntend, zeer gedetailleerd geschiedenisboek, de schrijfster heeft een werkelijk kolossaal aantal titels geraadpleegd over de vier besproken tradities – de Griekse, Joodse, Perzich/Indische en Chinese. Het boek is vanwege de schat aan informatie en de heldere en elegante schrijfstijl meer dan het aanbevelen waard.

Is het mogelijk historische feiten objectief weer te geven? Of zal bij elke vorm van geschiedschrijving altijd een aspect van de gekozen presentatievorm een interpretatie blijven impliceren? En betekent interpretatie altijd vervorming van de objectiviteit? Armstrong’s opzet is in elk geval duidelijk: de vier tradities worden in de periode 1600-200 v.C. doorgelicht op overeenkomsten in de ‘tijdgeest’. Elk hoofdstuk correspondeert met een periode en doorloopt de tradities, de titel van het hoofdstukverwoordt het gemeenschappelijke element. De opeenvolging van titels wil daarbij een vooruitgang openbaren om als lichtend voorbeeld uit het verleden ons hoop voor de toekomst te geven. De keuze om de periode 1600-200 v.C. een voorbeeldfunctie toe te kennen is geinspireerd op de denkbeelden van de filosoof Karl Jaspes die de periode 900-200 v.C. ‘Die Achse der Weltgeschichte’ noemde: volgens hem de belangrijkste intellectuele en spirituele periode van de mensheid die tot op de dag van vandaag onze leefwereld cruciaal gevormd heeft. Armstrong vertaalt deze term als de Spiltijd.

Hoofdstuk 1: De volkeren der Spiltijd (1600-900)
Zuid-Rusland: Aryers leefden tot ongeveer 1500 een rustig bestaan. Elk natuurfenomeen was een persoonlijkheid, Later ontdekking werktuigen en transportmiddelen, waardoor rooftochten mogelijk werden. Zarathoestra (ca. 1200) wilde een eind aan dit geweld maken en predikte vrede, rechtvaardigheid en monotheisme. De echte krijger vocht tegen zinloos geweld.
India: invasie van Aryers. De Rigveda was een verzameling dichtwerken met mythen. Offerrituelen om evenwicht met natuur te waarborgen. Ontwikkeling van het idee van ‘brahman’, de meest verheven werkelijkheid, allesomvattend, ondefinieerbaar.
China: Regerende prinsen waren godenzonen, sterke scheiding tussen aristocratie en werkende klasse. Rituelen om natuur te beheersen. Hertog Zhou schreef de Shujing tegen tirannie en corruptie: een nieuwe orde.
Israel: onduidelijk, bijbelfeiten zijn veel later opgeschreven. Uittocht uit Egypte zeer onwaarschijnlijk vanwege ontbreken archeologische feiten. Richtertijd wel annemelijk. Godsdienst polytheistisch met offerrituelen voor natuurfenomenen.

Hoofdstuk 2: Rituelen (900-800)
Er volgt eerst een korte uiteenzetting van Myceens Griekenland vanaf 2000. Mythen en rituelen verwijzen naar wat onzegbaar en verboden was. Twee oermachten: Chaos en Gaia, die voor een nageslacht zorgden , opklimmend in specificatie. Rituelen om angst te beleven en onder ogen te zien.
Israel: In 926 verwoest farao Sisek alle Kanaanitische bolwerken. Israel beoefende, aangemoedigd door profeten (o.a. Elia), de monolatrie: andere goden bestonden wel, maar moesten worden genegeerd, wat in de ogen van het gewone volk onverstandig leek (zoveel mogelijk goden om zoveel mogelijk elementen uit de natuur te beheersen).
China: Leven beheerst door ritueel, koning had opperste macht. Crisistijd omdat rituelen niet de gewenste uitwerking hadden, reactie was nog meer rituelen.
India: Samenleving raakte gestructureerder, rituelen werden geperfectioneerd. Ontwikkeling richting persoonlijke(r) toewijding, zelfopoffering.

Hoofdstuk 3: Kenosis (800-700)
Dit woord wordt uitgelegd als ‘leegmaken’, het ontdoen van zelfzuchtigheid.
Israel: Bloeiperiode, maar groot verschil tussen rijk en arm. Rituelen veranderden: het goddelijke volgde uit het omdraaien van sociale rollen zoals Abraham die vreemdelingen gastvrij ontving, en het offeren van zijn zoon. In de 8ste eeuw wordt Israel ingelijfd bij het grote Assyrische rijk, maar Jeruzalem houdt stand.
Griekenland: Ontwikkeling polis, kleine onafhankelijke door burgers bestuurde stadstaat. Opkomst heldencultus en spelen, die ook een rituele functie hadden. Homerus schreef eind 8ste eeuw Ilias en Odyssee: veel informatie uit mondeling overgeleverde tradities. Voornamelijk heldencultus, maar Achilles laat kenosis blijken door samen met de vader van de door hem vermoordde Hector te huilen. Godencultus bleef echter bij het oude.
China: Overgangstijd van monarchie (Zhou-koningen) naar prinselijke macht in de steden. Rituelen werden gematigd.
India: Tijd van de wereldverzakers, inwendiger liturgie. Doel was het ontdekken van het absolute door bewustwording van het diepste zelf.

Hoofdstuk 4: Kennis (700-600)
India: Kennis van de werkelijkheid door lange training en meditatie verkregen: niet door logica of zintuigen. Werkelijkheid is onzegbaar, maar training geeft kennis ervan.
Griekenland: Politiek onrustige tijd. Hesiodus schreef wereldgeschiedenis waarin hij pleit voor het loslaten van het heldenideaal, voor berusting. Het rituele spel werd echt, verpersoonlijkte.
China: Ritueel gehandhaafd vanwege de schoonheid (in oorlogvoering), moest edelheid van de prinsen verhogen. Het leven was geritualiseerd, ook de vader-zoon verhoudingen.
Israel: In Deuteronomium geheel nieuwe wetgeving, wel geput uit oude bronnen. Alleen Jahweh dienen. Religie richting dogmatische geschreven tekst, toch vasthouden aan het onuitspreekbare. Politiek was er geen onafhankelijkheid.

Hoofdstuk 5: Lijden (600-530)
Israel: Verwoesting Jeruzalem, wegvoering naar Babylonie. Klaagliederen en Job werden geschreven, maar de aanvaarding van de ontheemding smaakte zoet (Ezechiel die de rol opat). Heiligheid door in de geest van de wet te handelen zonder de daarwerkelijke tempel. Genesisverhaal opgeschreven: een vreedzaam godsbeeld, niet tegen Babyloniers (gedeeltelijk).
Griekenland: Crisis in Athene. Heerser Solon wilde orde scheppen op sociaal niveau: evenwicht. Er was rituele overgave: Dyonisische mysterieen, in trance raken, ‘entheos’-ervaring. Alleen Orfische sekte wilde het lijden verzachten met de kunst. Pythagoras was voor de zuivering van het lichaam van de omgeving. Filosofen Thales (alles=water), Anaximenes (alles=lucht), en Anaximander (alles=to apeiron) hadden niets met de spirituele remede voor het lijden te maken, zochten het in rationele orde.
India: Wereldverzaker Shanky zei dat er drie lijnen in de werkelijkheidsbeleving waren: Satta (intelligentie, hoogste), Rajas (passie, daaronder) en Tamas (inertie, laagste vorm). Ging uit van het idee dat het leven dukkha (=lijden, onvolmaaktheid) was, moest bevrijd worden.
China: Crisis, oorlogen lieten rituelen los, hebzucht agressie en hang naar luxe vierden hoogtij.

Hoofdstuk 6: Empathie (530-450)
China: Confucius ageerde tegen loslaten van de rituelen. Discussie belangrijk, geen ascetisch ideaal, maar sociaal: “Arm maar verrukt over de Weg; rijk maar student van de riten.”
Midden-Oosten: Cyrus heerste vanaf 539 als Perzische bevrijder over het Babylonische rijk, beloofde Jeruzalem te herbouwen. 2de Jesaja profeteerde over Jezus: voor het eerste wekelijk montheistisch: “Alle volken laten zien dat er maar een God is”) Tempel werd moeizaam herbouwd (520).
Griekenland: Cleisthenes verdreef de in 510 invallende Spartanen en hervormde staatsbestel. Regerende adel, raad van 500 als controlerend orgaan. Wens naar evenwicht: Heraclitus, leer van tegenstellingen. Parmenides: alle verandering is illusie, alles is een geheel, eeuwig Zijn. Xerxes in 480 verdreven met list door Athene te verlaten en te laten verwoesten, was een morele overwinning. “Alles doen om tragedies te vermijden, maar wanneer ze alles hadden geprobeerd, konden ze alleen maar moedig en onverschrokken hun lot accepteren.” (p.284)
India: Handelsroutes werden uitgestrekter en beter, daardoor betere handel en meer machtsspanningen. Wereldverzakers werden door toename geweld wanhopiger, extremer. Makkhali Gosala: “Elke menselijke inspanning is zinloos” (p.293). Mahavira: predikte discipline en Gulden Regel: de ander behandelen zoals jezelf behandeld wilt worden (Jainisme).

Hoofdstuk 7: Zorg voor iedereen (450-398)
Israel: Jeruzalem werd een nationalistisch bolwerk onder Nehemia: bouwde muur, Ezra las de wet voor, gekant tegen buitenlandse vrouwen.
Griekenland: Filosofen werden cryptischer, Zeno: logische absurditeit, Democritus: werkelijkheid bestaat uit onzichtbaar kleine bouwstenen. Reactie sofisten, pragmatische ‘gezond-verstand’-redenaars. Euripides: weet niet of god bestaat. 430: Peloponnesische oorlog tussen Athene en Sparta, zich voortslepende, zinloze oorlog. Socrates predikte nieuw soort dialectiek. 405: overgave Athene, regering door 30 pro-Spartaanse aristocraten. Socrates werd zondebok: vrienden van hem waren niet pro-Spartaans en hij bedierf de jeugd. Nam waardig de gifbeker, steeg boven omstandigheden uit.
China: Na dood Confucius periode van Strijdende Staten. Zeer gewelddadige en verkwistende tijd met constante oorlogvoering. Pragmatisch spiritueel leider Mozi (meester Mo) daartegen, vond discipline belangrijk (itt Confucius), wel egoisme vervangen door algemeen altruisme=versie van Gulden Regel.
India: eind 5de eeuw werd Siddharta Gautama wereldverzaker. Alle zelfverzaking hielp niet. Conclusie was dat hij alleen zijn eigen inzichten nog vertrouwde. Innerlijke vrede niet door verzaking maar door de wereld niet het leven te laten beheersen. Vier Edele Waarheden: het bestaan is dukkha, ons lijden wordt veroorzaakt door begeerte, er is een uitweg uit dit dilemma, wijsheid is te integreren in het dagelijks leven: nirvana=gedoofd, het vuur van hebzucht, haat en waanbeelden. “Inzicht moet zelf verworven worden, leraar is niet belangrijk: de zorg voor iedereen vanuit een zelfliefde, iemand die zijn zelf liefheeft wil het zelf van anderen geen kwaad berokkenen.” (p.350)

Hoofdstuk 8: Alles is een (400-300)

China: economische expansie om oorlog te betalen. Yangzi bekritiseerde Confucius en Mozi: ieder voor zich, niet ingaan tegen menselijke natuur. Tegenreactie later door spiritualisten, die mediteerden op de ‘oerenergie’ qi, in geconcentreerde vorm de ‘essentie’. Huizi als tegenhanger van Heraclitus (“Alles wat geboren wordt, begint te sterven”, p.358). Vele andere denkers (Zhuanghi, Mencius) onderschreven Gulden Regel.
India: Maherabhata, het grote heldendicht, het veel lagen uit vele tijden. Moraal: hoe kon geweldloosheid worden verzoend met het verdedigen van de gemeenschap? Voorbeeld is de mythe over Krisjna die adviseert een strijd te winnen door een leugen aan de vijand te vertellen, wat tegen de rite en eergevoel inging, maar de goddelijke orde wel waarborgde. “Uit het epos blijkt het verwarrende effect dat de Spiltijd had op sommige leken[ ] die zich niet meer konden aansluiten bij de wereldverzakers en yogi, maar merkten dat het oude vedische geloof ook geen steun meer bood.” (p.380)
Griekenland: Plato was 30 toen Socrates veroordeeld werd. Had connecties in pro-Spartaanse regering en die wilden hem daarin. Door proces-Socrates was hij echter gedesillusioneerd en trok zich terug, o.a. bij de Pythagoreers (wiskunde). Toen hij terugkeerde was Athene in chaos: in 370 werden 1200 aristocraten doodgeknuppeld in Argos, en in Tegea de leiders van de oligarchie afgeslacht. Hij stichtte school voor wiskunde en filosofie: Academia. Moedigde hier onafhankelijk denken aan. Ideeenleer: het denkbeeld dat bv. deugd niet te construeren was uit voorbeelden, maar deel was van een realiteit op een hoger plan. Idee betekende vorm, patroon of essentie. “Plato’s filosofische begrip kan worden beschouwd als een rationele verklaring van de oeroude mythische idee van de eeuwige wijsheid waarin elk voorwerp en elke gebeurtenis op aarde zijn tegenhanger heeft in hemelse sferen. Deze zienswijze was uiterst belangrijk geweest in de religies voor de Spiltijd, dus zal Plato’s idee [ ] op zijn tijdgenoten minder vreemd zijn overgekomen dan op de moderne lezer.” (p.385) Toepassen van zuivere rede i.p.v. zintuiglijkheid die doortrokken is van dukkha. Toch was kennis van ideeen aangeboren. Vanwege zuivere rede moest de staat worden bestuurd door enkele zuivere heersers, die de staat zuiverden, o.a. door eugenetica. De tragedie moest worden afgeschaft, was niet niet goed voor de zelfbeheersing, geen deugd, evenals de kunst. De Wetten, zijn laatste werk, hierin bleef de godencultus belangrijk: theocratie, het inprenten van “de juiste gedachten over de goden, en daarnaar te leven: goed of niet goed.” (p.395) Doodstraf voor diegenen die zijn mening niet deelden. Scheiding tussen wiskundige wetenschap en spiritualiteit, leerling Aristoteles zette die nog verder door. Die onderschreef het gebruik van de rede zoals Plato deed. Denken over het denken was het leven zelf. Theologie was de eerste filosofie; God als logische uitkomst van de rationele wetenschap: Eerste Beweger. Had niets spiritueels: metafysica is wat na de fysica komt.

Hoofdstuk 9: Wereldrijk (300-220)
China: Economische positie werd als belangrijk ervaren, de legalisten waren politieke wetenschappers die orde in de samenleving schiepen op rationele gronden. Pragmatisme boven theoretische deugd. “Door af te zien van kennis, bezit hij vooruitziendheid, door af te zien van waardigheid behaalt hij resultaten, door af te zien van moed verwerft hij kracht.” (Han Fei, p. 409) Xunzi probeerde later te bewijzen dat met ratio een moreel zuivere maatschappij met vrede en rust door goede opvoeding mogelijk is. De Tao-tse-ting (Boek van de Weg en de Deugd) van Lao-tse sluit bij legalisten aan maar is spiritueler. Het fundamentele is naamloos en ongezien: de Leegte. “Het zijn heeft zijn voordeel, maar van het niet-zijn komt het nut.” (p.420) Legalisten wonnen de slag in de Strijdende Staten, niet een mystieke leider: Spiltijd-idealen worden bedreigd.
Griekenland: Alexander de Grote breidde zijn rijk uit. Botsing van beschavingen in het oosten. Zinloze veldtochten. Filosofie mondde uit in apathie: het ging om onaangedaanheid, ‘ataraxia’ scepticisme, aanvaarding van de status-quo.
India: Asoka besteeg in 268 de troon, werd beschermheer van boeddhisten. Na het zien van de verschrikkingen van de oorlog wilde hij het militarisme door ahimsa vervangen (geweldloosheid). Na zijn door politieke instabiliteit. Bhagavad-gita (Lied van de Heer) werd aan de Maharabhata toegevoegd; bezield door afkeer van geweld. Leer van de dharma (o.a. terugkeer), moest vooral toegankelijk zijn voor gewone volk en is daarom wellicht de meest invloedrijke Indiase tekst.

Hoofdstuk 10: De weg voorwaarts
China: Na 220 was er een gecentraliseerd Qin-rijk. Opkomst van het Yin-Yang-concept; dateerde echter van voor-Spiltijddenkers. Minister Li-Si standaardiseerde en beperkte de literatuur. Hierna opstand en beweging richting syncretisme. “In China wordt vaak gezegd dat iemand overdag confucianist kan zijn en ‘s avonds taoist.” (p.453)
India: Klassieke hindoeisme op de voorgrond, minder elitair gemaakt: bhakti-revolutie, een duidelijke godheid. Boeddhisme in 2 stromingen: Theravada (afzondering) en Mahayana (mededogen). Heldenfiguur 1e eeuw n.Chr. de bodhisattva.
Israel: Farizeeen hadden boodschap van liefde en “doe uw naaste niet wat u een gruwel is” (p.461) en god hoefde niet alleen in de tempel worden aanbeden. Ultieme werkelijkheid is transcendent en onbenoembaar. Christendom begon als een kleine beweging. Jezus leer week niet veel af van Farizeisme. Paulus trasformeerde die leer in verlossingsleer (zijn invloed ook in evangelieen).
Arabie: Mohammed 7de eeuw n. Chr. Geen doctrine, islam betekent overgave, tazeqqah mededogen, vrijgevigheid. Mohammed was tegen geweld. alleen om te verdedigen.

8 February 2006
By on 11:01
Karen Armstrong

Een auteur die ik zeer bewonder om tenminste twee boeken (de rest heb ik nog niet gelezen): De Geschiendis van God en De Grote Transformatie (ben ik nu aan het lezen). Komen nog persoonlijker logs over!

Karen Armstrong (een tijdje geleden…)

For years she was tagged the “runaway nun,” the rebellious ex-Catholic with outspoken opinions about religion–comparing, for example, Pope John Paul II to a Muslim fundamentalist.

Now, with her 12th book, “Islam, a Short History” (Modern Library), Karen Armstrong has changed her image. She can still be sharp-tongued, inclined to draw conclusions that get a rise out of critics. But something closer to reconciliation, rather than anger, is propelling her.

Her life in a British convent is 30 years behind her. She spent seven years in the Society of the Holy Child Jesus during the 1960s and later wrote a tell-all book, “Through the Narrow Gate” (St. Martin’s Press, 1982) that bemoaned the restrictive life. (The frightened nuns did not know the Cuban missile crisis of 1962 had ended for several weeks; they were not allowed to inquire about the outside world.) Armstrong is still hearing about the book: “Catholics in England hate me. They’ve sent me excrement in the mail.”

Readers who have followed her lately are learning her more optimistic ideas about what Islam, Judaism and Christianity have in common. Three of these books–”A History of God” (Ballantine, 1993), “Jerusalem: One City, Three Faiths” (Knopf, 1996) and “The Battle for God” (Knopf, 2000)–show what unites the faiths. Each, Armstrong writes, has developed the image of one Supreme Being who was first revealed to the prophet Abraham. All have historic links to Jerusalem. And more recently, each has built up a rigid conservative strain as a reaction against the modern world.

Last year, the Islamic Center of Southern California honored Armstrong as a bridge builder who promotes understanding among the three faiths. On a book tour last week that included Los Angeles, the Londoner met again with members of the center in a Santa Monica home.

A small woman in her mid-50s with short blond hair and an eager expression Armstrong signed copies of her books while the 100 or so guests grazed a buffet table.

“Across the country,” she began her brief talk, “night after night in bookstores, I saw in people’s faces that they are interested in Islam. You might feel in despair as you are now a minority, living in the West, but people are very interested in learning more about you.”

Earlier, she explained in an interview: “It is challenging for Muslims in the U.S. who for the first time are not living in a Muslim-governed state. A basic message of the Koran is to create a united community and share the wealth.” When Western capitalism was introduced in the East in the last few decades, Iran and other Muslim countries rebelled. “The challenge for Muslims in the U.S. is to come to terms with the success of the secular West.”

Part of the problem in integrating, she suggested, is that Muslims don’t want to alienate anyone. “Muslims need to reach out to other faiths. They aren’t as practiced as the Jews at it, who’ve lived in sometimes hostile countries for 2,000 years.”

Other religious cultures have met similar challenges as immigrants in the U.S. “The Catholics did, late in the last century. They came from Ireland, Poland and Europe in huge numbers, and they were hated. Their arrival encouraged the rise of Protestant fundamentalism in the U.S. Now it is the Muslims who want to be good Americans.”

Reviews of her new book, and of earlier works, tend to challenge Armstrong’s sophistication. In the case of her new work, one reviewer argued she gave too little attention to the development of Islamic law, a central feature of a faith that blends religion and politics while Western democracies struggle to keep the two apart. Another reviewer said she overlooked Islam’s contribution to science, art and economics.

“I never read reviews,” Armstrong replied, defending herself in a cadence that an observer once timed at 130 words per minute. “Islam” presented the added challenge of telling it all in 222 pocket-book-size pages. “This impossibly brief history of Islam,” was the publisher’s idea, she said. “People too daunted by thick books will get a sense of things in this one.”

Armstrong teaches Christianity at London’s Leo Baeck College for the Study of Judaism. It was her first trip to Jerusalem in 1983 that piqued her interest in commonality among faiths. “I got back a sense of what faith is all about.”

At the time she was an atheist who was “wearied” by religion and “worn out by years of struggle.” Born a Roman Catholic in the countryside near Birmingham, England, in 1945, she gave up on religion after her time in the convent. “I was suicidal,” she said of life in her late 20s. “I didn’t know how to live apart from that regimented way of life.”

With an undergraduate degree in literature from Oxford University, she began teaching 19th and 20th century literature at the University of London and worked on a PhD. Three years later, her dissertation was rejected. Without it, she did not qualify to teach at the university level and took a job as head of the English department at a girls’ school in London. Not long afterward, she was diagnosed with epilepsy. “After six years at the school I was asked to leave, but nicely,” she said. “My early life is a complete catastrophe. It all worked out for the best.”

She left the school in 1982 and began working on television documentaries. The story that took her to Jerusalem set her on a new career path and changed her earlier impressions about God. She went from atheist to “freelance monotheist” but has never returned to the Catholic Church or joined any other.

Since her writing career took off, Armstrong’s communion with God occurs in the library, where she spends up to three years researching her books, which are as densely packed with detail as her conversations. “I get my spirituality in study,” she said. “The Jews say it happens, sometimes, studying the Torah.”

It seems no one sacred scripture could satisfy her now. “It’s inevitable that people turn to more than one religious tradition for inspiration,” she said. “It’s part of globalization.” She recently read from the Buddhist canon of teachings for her next book. “Religion is like a raft,” she said, explaining the Buddha’s view of it. “Once you get across the river, moor the raft and go on. Don’t lug it with you if you don’t need it anymore.” She knows that mode of travel: Leave one raft behind to pick up the next just ahead.

Copyright xa9MARY ROURKE, Los Angeles Times, October 9, 2000

12 January 2006
By on 11:11
Hier moet je bij geweest zijn…

Iets voor mijn weblog, dacht ik. “Nee Bert, hier kun je toch niet tegenop schrijven, hier moet je bij geweest zijn…” vond mijn collega. Ik heb het over twee mensen die de moedige stap hadden gezet afgelopen donderdag door middel van een grondig vergelijkend warenonderzoek bij de winkel waar ik CD’s mag verkopen dxe9 audioschijf van hun dromen uit te zoeken.

Twee brave burgers naderden de balie. Een man en een vrouw van rond de vijftig, wat fysieke leeftijd betreft. Hun houding was wat schuchter, terecht geintimideerd door het overweldigend gevarieerde aanbod aan geluidsdragers die in de onvolprezen speciaalzaak aan de Lijnbaan uitgestald zijn. Zij waren met z’n tweeen, wij verkopers met ons drieen.

De vrouw stak ondanks haar niet al te zekere oogopslag met een gedecideerd stemgeluid van wal:
“Ja, hallo, ken ik wat vrage? Me man en ik zoeken een nummer dat heet Larrego. Henk, zeg ik het goed, zeg ook es wat?”
“Ja, ja Larrego, is van Handel, he,” sprak de echtgenoot wat rustiger. Subtiele uitspraakverschillen met het ABN verrieden de oerhollandse afkomst, zoals die in de periferie van Rotterdam nog voorkomt.
Bij deze beroemde compositie bleef het niet; het tweetal had nog ambitieuzer wensen.
“En hoe heette dat andere nummer, Henk? Bach?”
“Het Ave Maria van Bach, ja.”
Dat was een listige. Alleen de doorgewinterde CD-verkoper weet dat het dan om een bewerking gaat en niet om een originele Bach-compositie, en wel van Charles Gounod die het eerste nummer van het WTK van Bach van een onvergetelijke melodie heeft voorzien. Ook dit verzoek hoestten we echter moeiteloos op. Zelfs enkele verschillende opnamen: een van Renee Fleming en een van Andreas Scholl. Maar deze klanten waren niet zomaar tevreden, zij wilden alles uitgebreid beluisteren, want, zo heette het, “het mos lijken op de plaat die we vroeger hadden.”

De winkel aan de Lijnbaan over een aantal jaar…?

Toch zijn er dan veel hobbels die de nietsvermoedende klassieke muziekliefhebber tegenkomt. Zo bleek de CD van Fleming behalve de gewenste nummers veel andere niet meteen herkende nummers te bevatten. Ik had echter de eer de CD-speler te bedienen en de luisteraars de beste nummers te laten horen. Het Largo viel nog niet helemaal in de smaak.
“Wat zing ze nou? Ombra ma fa? Is dat dan wel goed? Henk, klop dat wel?”
“Ja, ja dat is het Larrego. Ombra ma foei.”
Met de koptelefoon op werd vervolgens de waarheid van ‘over smaak valt niet te twisten’ nog eens benadrukt:
“Henk, wat vin jij van deze zangeres?”
“Ja, nee, jij mot het ook zegge, we motte het same eens worde.”
(tegen mij:)”Ja, as tie iets voor zich eige mot hebbe is-ie er zo uit, maar nou is voor ons saampies…”
Maar manlief bleek toch niet zomaar afgescheept met de eerste de beste zangeres. Ook Andreas Scholl viel niet in de smaak.
“Ik hou niet zo van die stem, he, dat is niet mooi, hoe die zingt, zo hoog… hebbie dat stuk niet voor bas of bariton?”
Wij verkopers begonnen inmiddels redelijk te zweten, want ook onze collectie kende grenzen. Helaas. Dan maar het Ave Maria. Eenzelfde ritueel als bij het Largo speelde zich af. Bovendien beseften de mensen in hun concentratie op deze klassieke meesterwerken niet dat het eigen stemgeluid zich in volume nogal verheft als er gediscussieerd wordt met koptelefoon op… Na enige tijd staken dan ook de kassamedewerkers van de begane grond ongerust hun hoofden om de hoek, door ons natuurlijk gerustgesteld. O, weer zo’n veeleisende klant, leefden ze mee.
Inmiddels waren de wensen van de klanten tot onmogelijkheden opgestapeld: op 1 CD moesten eigenlijk maar 3 nummers staan, het Larrego, het Ave Maria en het Lassa ko panna, alles door een bas gezongen.
“Die andere stukken kenne we niet, we willen wel waar voor ons geld.”
Nu is onze winkel wel een speciaalzaak, maar dit ging toch wel te ver. De mensen stonden op het punt weg te gaan.
“Das ook jammer, kome we helemaal uit Barendrecht voor niks…”
Maar toen viel het oog van Henk op de CD-box ‘The 100 Best of Mozart’.
“Is dat de hele opera?” wilde de man weten. Oei, een strikvraag: vaak werden CD’s samengesteld met hoogtepunten van Mozart-opera’s. Ik moest het antwoord schuldig blijven.
“Ik weet het niet… even kijken… welke opera bedoelt u?” vroeg ik onzeker.
“Nou,” begon de man onsteld over zoveel onkunde, “de Fogelfenger natuurlijk!”
Stom stom stom, natuurlijk, hoe kon ik het nog vragen. Maar die stond erop. Ook dat werd weer aan een kritische luistersessie onderworpen, en Papageno’s aria weergalmde niet alleen in de koptelefoon, maar ook uit kelen van de brave Barendrechters.
“MOOI HOOR HENK, GOED VAN JOU DAT JE DIE CD ZAG LEGGE. WAT HEBBIE DER TOCH VEEL KIJK OP!”
“Nou, dat horen ze wel!” zei de man.
“WAT ZEGGIE???”
“DAT ZE DAT WEL HOREN!”
(vrouw zet koptelefoon af) “Nou zeg je hoeft niet zo te schreeuwen, ik ben niet doof!”
Ook bij manlief viel de Fogelfenger in de smaak. De man constateerde bovendien dat de CD-box maar liefst 6 CD’s bevatten en wilde weten wat daar dan allemaal op stond. Ik legde het zo gedetailleerd mogelijk uit.
“CD 1 bevat symfonieen, dus met orkest, CD 2 en 3 zijn hoogtepunten uit zijn opera’s, op CD 4 en 5 staan kamermuziekwerken en pianosonates, CD 6 heeft vocale werken zoals het Requiem.”
De vrouw keek mij enigszins niet-begrijpend aan.
“Dus welke CD’s zijn alleen muzikaal? Of is het allemaal met zang?”

Tegen zoveel logica kan geen enkele CD-verkoper op. Ik rekende de CD af – “Ik pint, ken dat?”, en twee tevreden klanten aanvaardden de terugreis van de Lijnbaan helemaal naar Barendrecht.

30 December 2005
By on 17:50
Elmer Schoenberger en het Grote Luisteren

Afgelopen zaterdag stond er in het NRC een zeer lezenswaardig artikel over de manier van luisteren naar klassieke muziek. De afgedrukte Huizinga-lezing werd verzorgd door Elmer Schoenberger, die het Grote Luisteren, de Muziek Zonder Meer als thema had gecreerd.

Ten eerste is het niets minder dan een verkwikkende zaak dat zulke artikelen worden verspreid, dat er zo’n lezing wordt gegeven. Maar hoe zeer dit artikel ook een hart onder de riem is voor klassieke muziekliefhebbers, toch bekruipt mij de gedachte dat de gepropageerde manier van klassieke muziekperceptie door hem wat al te zeer op de spits wordt gedreven. Natuurlijk, de lezing is ook zeer persoonlijk getint, maar zodra de schrijver woorden als het Grote Luisteren en Muziek Zonder Meer hanteert, moet daar toch die drang zijn iets universelers mee te delen.

Het is als klassieke muziekfreak onmogelijk het oneens te zijn met veel stellingen van Schoenberger: de luisteraar moet op de tenen in plaats van de muziek op de hurken, de luisteraar is er voor de muziek in plaats van andersom, muziek is een voorrecht in plaats van een recht. Allemaal uitspraken waar althans ik me geheel in kan vinden.

Maar Schoenberger probeert met die pretentieuze termen met hoofdletters een bepaalde vorm van luisteren te definieren. Als de lezer niet luistert naar muziek op die manier, dan is er geen sprake van echt begrip van die Muziek Zonder Meer. Daarmee wordt denk ik toch de zaak van het luisteren tekort gedaan. Luisteren naar klassieke muziek is toch ook ten dele een kwestie van opvoeding, waarmee ik niet meteen een sociaal onderscheid bedoel, maar een soort gewenning. Daarnaast en niet in de laatste plaats kan het een soms aarzelend, niet goed weten waarom, maar toch zich aangetrokken voelen tot bepaalde klassieke muziek zijn. Of een pas na jaren begrijpen wat bepaalde muziek kan betekenen. Schoenberger neemt het standpunt in de rijkdom van het Grote Luisteren al helemaal gezien te hebben, wat niet alleen onverdraaglijk snobistisch is (zijn oproep ‘snobs aller landen verenigt u’ is dan wel humoristisch – en een schone wens) maar vooral onmogelijk en ongeloofwaardig.

Zoals gezegd, ik ben het allesbehalve oneens met Schoenberger wat betreft de aard van klassieke muziek. Maar degene die naar klassieke muziek luistert luistert misschien niet altijd volgens de wetten van het Grote Luisteren, of ervaart die muziek niet als Muziek Zonder Meer. Het gevaar van zo’n stelling aangaande het luisteren met dergelijk termgebruik is dat het een bepaalde ideale luisteraar wil definieren, of een verlichte geestestoestand, een luisterhierarchie, en dat zal een illusie blijven, en bovendien een aanmatiging van Schoenberger aan elke afzonderlijke klassieke muziekliefhebber.

20 December 2005
By on 09:38
Filosofie als kunst

Al geruime tijd koester ik de gedachte dat filosofie eigenlijk een kunstvorm is. In de canonieke wetenschappelijke wereld is de wijsbegeerte onderdeel van de sociale wetenschappen, maar oorspronkelijk was filosofie, wetenschap en kunst in de Oudheid xe9xe9n geheel. Als mijn motivatie het woordje ‘eigenlijk’ in de eerste zin van deze alinea te gebruiken alleen deze aanvankelijke eenheid was, dan zou de gedachte gedateerd zijn. Nee, mijn denkbeeld wordt elke keer aangewakkerd als ik stimulerende filosofie lees: op dezelfde manier zoals bij het beluisteren van goede muziek het idee dat alle kunst filosofische betekenis heeft wordt versterkt.

Paul Valxe9ry

Maar wat maakt het xe9xe9n tot het ander, of, wat plaatst filosofie en kunst apart van het niet-filosofische, van dat wat geen kunst is?
“Kunst met een grote K is die kunst die van de kunstenaar eist dat hij al zijn vermogens er bij inschakelt en waarvan de voortbrengselen op hun beurt een beroep doen op alle vermogens van derden ze te begrijpen.” Dat zei Paul Valxe9ry. Als dat waar is hebben we ten eerste al een overeenkomst tussen kunst en filosofie aan het licht gebracht. Dit statement is in elk geval invoelbaar in alle complexe vormen van kunst – voorzover die te onderscheiden zijn van eenvoudiger vormen – en filosofie. Kunst en filosofie vereist intellectuele oefening.

Toch kan kunst ook juist extreem simpel zijn qua expressie, zoals ook een filosofische uitspraak in xe9xe9n klap veel kan verhelderen. Waar Valxe9ry blijkbaar doelde op kunstvormen die ons meevoeren naar ongedachte, meer gedifferentieerde en genuanceerdere werelden, kan kunst en filosofie ten tweede ook in de oneindige, onoverzichtelijke differentiatie van ideeen, motivaties en gemoedstoestanden helderheid scheppen, de blik juist noodzakelijkerwijs vernauwen, concentreren. Kunst en filosofie vereist emotioneel engagement.

Ten derde is het de vraag wat dan niet tot filosofie en kunst behoort. Echte kunst en duurzame filosofie reageert immers op alle aspecten van het bestaan en heeft daarom ook een uitwerking op dat alles. De drang een ‘waarom’ mee te delen aan de medemens maakt kunst tot kunst, de oproep tot meevoelen en -denken, tegenwerpen, instemmen of ontwijken maakt filosofie tot filosofie, en dus ook kunst tot filosofie en vice versa. Kunst en filosofie vereist stellingname, ethiek.

Het is mijn grote wens een geconcentreerde samenvatting te schrijven van de kunstzinnige aard der filosofie. Deze geaardheid vat ik niet op als een vaststaande historische entiteit of feitelijkheid: waar ik een samenvatting van wil schrijven is de kunstzinnigheid van filosofische producten volgens de bovengenoemde punten en zoals wij die nu kunnen achterhalen. Tijdens deze speurtocht door de eeuwen moet dus gezocht worden naar voortbrengselen die in het intellectuele, emotionele of ethische vlak de mens van nu prikkelen. Geen artiestenfilosofie of filosofie voor artiesten, maar een filosofie als uitdagende kunst. Dit uitgangspunt zorgt er denk ik ook voor dat een geschiedenis van de filosofie niet verzandt in een onleesbare opsomming van droge feiten, ideeen argumenten en tegenargumenten. Keerzijde is dat de focus niet wijd genoeg genomen kan worden: als filosofie behandeld wordt in haar directe relaties tot het intellectuele, emotionele en ethische dan zullen niet alleen de soms verwarrend ingewikkelde filosofieproducten moeten worden begrepen, maar ook de vaak moeilijk voor te stellen maar verhelderende politieke, persoonlijke en morele achtergronden en drijfveren.

Als dat de focus is, kan er nooit sprake zijn van volledigheid. De beschikbare historische feiten zijn zo enorm divers en van zo’n kwantiteit dat zelfs een samenvatting niet meer dan een wijzen kan zijn in de richting die de filosofie als kunst op wil. Zolang de richting echter duidelijk is en de lezer erdoor aangemoedigd wordt naar een eigen vollediger of persoonlijker filosofie als kunst te zoeken, is mijn opzet geslaagd.

“Innovatie is alleen mogelijk na het verleden zo compleet mogelijk verteerd te hebben.”
Pierre Boulez, Schxf6nberg the Unloved?, 1974

13 December 2005
By on 11:43
Edo en Maris:uithuilen of anderen blij maken

Of het komt door het feit dat ik afgestudeerd ben weet ik niet, maar mijn huis is onlangs ten prooi gevallen aan een grondige opruimbeurt: een schone lei, geen betweterige leraren meer, zelf alles op een rij zetten. Tussen die ongeordende stapels met concertprogramma’s, orgeldispositie, illegaal gekopieerde CD’s, pogingen tot filosofie, telefoonrekeningen en bankafschriften vond ik twee videobanden waarop de Skyth twee documentaires had opgenomen: Edo de Waart en Maris Jansons.

De documantaire over Edo was gemaakt toen hij wegging bij het Radio Fil, in 2004, die van Maris omdat die de nieuwe chef bij het Concertgebouw werd, eveneens in 2004. Als dirigent kende ik vooral Edo wat langer van stukjes Mahler, Wagner en de Orgelsymfonie van Saint-Saens (met Guillou!), opnamen die ik bijzonder waardeerde vanwege het precies spel en de uitgebalanceerde rijke orkestklank en benadering. Maar toch was die documentaire iets van een teleurstelling, beter gezegd de houding van de hoofdpersoon ervan. Niet vanwege de weinige momenten waarop De Waart het Radio Fil of het Sydney Fil tot grote hoogten wist te voeren, of het inkijkje in een opnamemoment. Op deze momenten kwam hij als een groot vakman, ja als een emotioneel en meeslepend musicus over die zich voor niets wat hij doet hoeft te schamen. Maar waarom het uitweiden over zijn onzekerheid, de tobbende blik boven zo’n meesterwerk als de Eclairs van Messiaen, waarom die antireclame voor muziek vanwege de ‘verschrikkelijke verlatenheid in het vak’? Als hij vertelt over het moeizame sociale contact met een orkest verzeilt hij in cirkelredeneringen: orkestleden kunnen onderling heel negatief zijn over de dirigent, maar misschien ligt het ook aan hemzelf. Niet dat dit beeld niet waarheidsgetrouw zou zijn, maar De Waart legt zo wel erg veel nadruk op de negatieve aspecten van zowel het sociale als het muzikale aspect van ‘het vak’. Hij wordt gefilmd als hij studeert op Messiaen’s Eclairs . Exe9n deel daarvan bestaat uit vogelgeluiden, waarbij de instrumentalisten alle in een ander tempo zonder maatstrepen door elkaar spelen. Hier zien we de tobber zichzelf ongeveer een depressie aanpraten als hij zijn calvinistische methode op dit fragment wil loslaten: hij houdt niet van het onbestemde, wat wil Messiaen nu eigenlijk zeggen behalve dat het blijkbaar een ‘gekgeworden voliere’ uitbeeldt, hoe moet het nu als de orkestleden niet gelijk eindigen. Zijn conclusie: ik moet dit vak niet meer zo lang doen, ik wordt er niet zo happy van, niet meer op m’n 90ste als een half dove, blinde en kreupele dat podium op. Ja, ik begrijp goed dat het instuderen van complexe partituren zonder veel houvast frustrerend kan zijn, maar nergens laat de man blijken echt interesse te hebben in de achtergronden van het werk (‘die vogels dat zegt me niet zoveel’). Zoals hij zich hier presenteert, is het voor hem getob met de metronoom in de hand. En dat is jammer, want aan het klinkende resultaat dat er bij Edo toch mag wezen, is dat niet af te horen. De Waarts opnamen blinken uit in orkestrale klankpracht, zijn dirigeertechniek kan alle partituren aan lijkt me.
Misschien komt deze houding doordat hij, en daarin is hij zo anders dan ‘de zigeuner Bernstein’ legt hij uit, het uitvoeren van klassieke muziek ziet als het ‘dienen van die dode mannen’. Wel haast hij zich eraan toe te voegen dat de een het dan heel anders kan doen dan de ander. Ineens begin ik Nigel Kennedy, ook al zo’n ‘zigeuner’ veel beter te begrijpen, die vindt dat klassieke muziek toch niet altijd in zwart pak gespeeld hoeft te worden, als ware het een begrafenis, voor dode mensen… Hoe jammer ook, dode componisten zijn dood, alleen hun muziek kan levend worden gehouden, niet om de nu dode mensen een dienst te bewijzen, nee muziek maken moet gebeuren uit pure noodzaak, een noodzaak die die dode mannen als geen ander voelden en wisten te verklanken en het daarom waard zijn uitgevoerd te worden.

Die noodzaak staat wel op de voorgrond in de tweede docu, die over de ‘zesde maestro’ Jansons. Misschien presenteert de man zich iets afstandelijker dan De Waart, maar hij vertelt over een musiceerdrang die blijkt uit al de facetten van zijn leven. Zo zien we een foto van een mini-Maris, die enkele jaren oud doet alsof hij dirigent is, met bok, bladmuziek en dwingend armgebaar. Maar hij kende ook flinke tegenslagen: aanvankelijk wilde hij viool studeren, maar zijn voorstudie in Riga was onvoldoende, dus ging hij ‘maar’ naar de dirigeerklas. Ook kreeg hij eens eens hartaanval tijdens de laatste minuten van La Boheme en viel van de bok… Maar de man blijft ervoor gaan, ‘vol erop’ zoals de solohoboist van de Van Baerlestraat het zegt. “Aan stoppen heb ik nooit gedacht” aldus de Let. Misschien zal op momenten de wanhoop ook Jansons bekruipen: we zien in de uitzending een repetitie op Gurrelieder (voorwaar geen lullig versje) en daarin roept hij zwetend en vertwijfeld uit:”Mein Gott, ich weiss nicht wie ich das durchkomme…” Maar als hij wordt gefilmd, ook met metronoom in de hand studerend op de Gurrelieder, weidt hij uit over het stuk, en legt uit dat het hem gaat om het hebben van beelden en associaties bij muziek. Ook hij vindt daarbij de bedoeling van de componist belangrijk om daar zo dicht mogelijk bij te blijven, maar ook dat de smaak van de uitvoerder altijd hoorbaar (moet) blijven. Het gaat ook om de beleving, en als de uitvoerende die niet voelt, dan kan die ook niet overgebracht worden.

Jansons maakt muziek uit noodzaak, voor De Waart is het uiteindelijk blijkbaar noodzakelijk ermee te stoppen. Een documentaire om uit te huilen of om te laten zien dat muziekmaken moeilijk, maar wel het hele leven waard is omdat er, zo zegt Maris, een kringloop is van energie: anderen blij maken met muziek geeft nieuwe energie om door te gaan.

Toch kan ik erg om de docu van Edo lachen, en er is natuurlijk de onmisbare soep-eetscene…

23 November 2005
By on 18:34
De aanvangen der Grieken becommentarieerd

Naar aanleiding van Begemann’s boek over de Griekse aanvangen der wijsbegeerte bekropen mij enkele gedachten die mij cruciaal toeschenen. Cruciaal in de zin van: als onze houding t.o.v. de aard van de filosofie, van wat filosofie genoemd kan worden, ter discussie kan staan, dan staat de hele filosofie dat. Misschien is filosofie wel veer meer dan we nu denken. Wie aan filosofie denkt en alleen een paar verstofte figuren voor zich ziet die boven een paar uiteenvallende boeken vol onbegrijpelijkheden hangen, kan toch geen gelijk hebben? Filosofie moet alles zijn, en dat is ook wat de vroege Grieken ons kunnen bijbrengen.

Begemann is vooral erg grondig in zijn aanpak. Hoewel zijn opsommingen van de aspecten waar we rekening mee moeten houden soms wat langdradig en overgeanalyseerd kunnen overkomen, blijkt bij nadere bestudering van de oude Grieken, wat met veel onzekerheden gepaard gaat, zijn gelijk. Dit neemt niet weg dat hij een vertegenwoordiger is van gangbare uitgangspunten, hij volgt in veel dingen voorgangers en andere bronnen. Geen echt vernieuwend boek dus, maar wel een geschikte inleiding. Zo typeert hij alle westerse filosofie als Grieks van aard, omdat die rationeel is, intern logica bezit enz. Dit mag dan een min of meer bewijsbare stelling zijn, ik denk dat het niet veel verheldert. De vraag is of de mens en zijn drang tot filosoferen veel veranderd is sinds de prefilosofie. Mijn stelling is van niet, waarmee filosofie dan echt alles wordt. Het is dan een concept van filosofie geworden dat terugwerkt op de historie ervan en meer bevat dan alles ervoor.

23 October 2005
By on 14:15
Grondslagen der Griekse filosofie

De eerste filosoof, Thales van Milete Prof. Dr. Begemann heeft al weer enige tijd geleden een boek geschreven dat ingaat op de eerste filosofische uitingen van de mensheid, niet in de vorm van een droge opsomming doch is een basale orientatie op de methode waarmee wij de Oudheid moeten/kunnen benaderen. Een zeer helder en grondig denker, ware het niet dat de beste man christen is, wat op zich nog niet erg is, maar waardoor hij de lezer onnodig lastig valt met uitspraken zoals: ‘de oude Grieken kenden de Waarheid niet, omdat zij de Woordopenbaring niet kenden’. Gelukkig beinvloedt deze houding de grondigheid van de aanpak in dit zeer briljant geschreven boek niet.

Deel I van het boek heet de Prolegomena, waarin de professor ingaat op het wezen van de geschiedschrijving van de wijsbegeerte der Oudheid. Geschiedschrijving is een wetenschap, zo vangt hij aan, mag geen subjectief kunstwerk zijn. De historie van deze geschiedschrijving is te verdelen in productieve wijsgeren en wijsgerig ingestelde geschiedschrijvers. Het bevindt zich op het grensgeval tussen wetenschap en wijsbegeerte omdat:
1. de geschiedenis der wijsbegeerte ontwikkelt volgens wijsgerige dynamiek;
2. de beschrijver wijsgerig ingesteld is;
3. het materiaal interpretatiegevoelig is.
Dat het geschiedschrijving van de Oudheid is houdt in dat het eerst mythologiserend is(het vraagt naar de oorsprong), en later naar het wezen wil gaan (kosmo-ontologie).

Om de wijsbegeerte uit de Oudheid te kunnen begrijpen, moet er rekening worden gehouden met verschillende factoren:
1. Drie soorten interpretaties:
a. van concrete teksten en pericopen;
b. van concepties;
c. van de geschiedenis.
2. De omstandigheden van de filosofen bestuderen volgens filologisch methodisch principe: achtergrond, historische plaatje, politieke, religieuze situatie.
3. Besef van de ontwikkeling van de taal: primair intuitief of visueel, dan pas woorden: onze taal is belangrijk rijker dan die van de filosoof in de Oudheid.
4. Begrip vanuit verwantschap: wij zijn mensen, zoals de Grieken in de Oudheid.
5. Besef van de Griekse psyche: is religieus bepaald.

Deel II heet Algemene Inleiding. Hierin probeert de hoogeleraar de aard, het karakter, van de betreffende filosofie te duiden. Hij zegt dat de hele westerse wijsbegeerte Grieks van karakter is vanwege de interne wetmatigheid van haar ontwikkeling: denkbeelden van latere filosofen, zoals neoplatonici, Hegel, etc., zijn terug te voeren op Griekse verworvenheden.

Dan een aantal zinnige opmerkingen over wetenschap en wijsbegeerte: de nadruk verschoof aanvankelijk van speculatief naar intuitief.
Speculatie – wijsbeerte – niet verifieerbaar.
Intuitie – wetenschap – verifieerbaar: intuitie is gevoelsmatige ordening van gegeven grootheden en is wetenschappelijk controleerbaar, speculatie niet.
Aristoteles emancipeerde de wetenschap, hij bracht als eerste een duidelijke scheiding aan.

De analyse van de Griekse wijsbegeerte der Oudheid moet een duidelijke methodologie hebben.
1. Algemeen theoretisch: Er is in alle Griekse filosofie het onderscheid tussen individualia en universalia. Daarnaast in het taalgebruik, met name de terminologie:
-Logicaal:duidelijk
-Sociaal: voor iedereen
-Technisch: bij het smeden van nieuwe termen (de -ismen), rekening houden met 2 factoren:
a. moet terug te voeren zijn op waarneembare werkelijkheid,
b. geen natuurwoorden (Latijn of Grieks van oorsprong)
2. Concretiserend. In de te behandelen stof (moet):
a. wetmatigheid of structuur schuilen;
b. transcendentabel zijn;
c. moeten we termen gebruiken kunnen;
d. moeten we wetenschappelijk planmatig werken kunnen;
e. methode moet het product zijn van theoretische activiteit en interne structuur van de stof;
f. een speciale methode toegepast kunnen worden.
De specialisatie van de analyse verloopt in 4 trappen:
a. het is geschiedenis,
b. der wijsbegeerte,
c. der Oudheid,
d. in Griekenland.
3. Volgens biotische analogie. In de periodisering zijn geen strikte scheidingen, maar werkt volgens: voortkomen, groeien, rijpen, kiemen, voortleven, afsterven, overwoekeren. (dit zijn natuurwoorden, geen termen)
Deze analogie kent 3 aspecten:
a. Geleding, zoals elk dier delen heeft;
b. Ontwikkeling;
c. Continuiteit; overlappingen, cq. internexies.
4. Dynamiek. Wijsbegeerte volgens de biotische analogieen maar is dynamisch vanuit een ingelegde stuwkracht in de mens.
De wijsbegeerte is intern dynamisch:
a. vanuit de kosmologie met als latere onderverdelingen de filosofische capita, theologie, antropologie, kentheorie en logica;
b. vanwege externe factoren: staatsfilosofie (bv. Plato, Marx); politieke problematiek wordt getransformeerd tot filosofeem.

Deel III is dan uiteindelijk een overzicht van de hoofdlijnen in de Griekse wijsbegeerte.
Bronnen hiervoor zijn drieledig:
1. De (bijna) complete werken van bv. Plato, Aristoteles, Plotinus (Neoplatonist), Epictetus (Stoicijn), Hesiodus;
2. Fragmenten, van Parmenides en Anaxagoras.
3. Testimonia (verreweg de grootste groep): van Plato over anderen, doxografieen (filosofisch-historische werken) van Diogenes Laertius, Theophrastus, H. Diels (verzameling). Deze testimonia zijn vaak honderden jaren later opgesteld dan de tijd van de betreffende filosoof, met alle gevolgen van dien.

A. Praefilosofie.
Orpheus schreef mythen over het begin der wereld: vanuit het ‘wereldei’. Hier heerst het geloof in het hiernamaals en de zielsverhuizing in trappen.
Hesiodus schreef Theogonia (1022 hexameters), het leven van de goden, mythen, zeer religieus, over goden, ontstaan der wereld uit Chaos, Gaia, etc. De vraag is of Hesiodus een filosoof genoemd kan worden. Ja omdat het systematiserende ontstaansverhalen zijn, nee omdat de poezie, mythe en goddelijke openbaring als wegen naar de waarheid gelden (voldoet niet aan criteria).

Belangrijk is dat in deze tijdsperiode geen begrippen voorkomen. Voor Hesiodus zijn hemel en aarde geen fysische maar numineuze grootheden: ‘religieus gebonden’: “De natuur is een machtig en ondoorgrondelijk samenspel, dat [ ] niet anders kan verschijnen [ ] dan als een godengenealogie.” (p.127)

B. Het Ionisch Monisme
Overeenkomsten met praefilosofie:
1. Belangeloze belangstelling
2. Gericht op totaliteit van de kosmos
3. Ordening als belangrijk motief
4. Primaire eenheid (arche)
5. De dynamis is de fantasie (speculatief)
Verschillen met praefilosofie:
1. Bij A. is geen ontwikkeling, alleen variatie
2. Bij A. geen wetenschap
3. A. gericht op ontstaan van de kosmos, B. ook gericht op het wezen ervan: A. is kosmogonie, B. is kosmo-ontologie op kosmologie
4. De arche bij A. alleen als begin, bij B. als beginsel
5. Bij A. zijn mythen zuiver speculatief, geen aanknopingspunt met de werkelijkheid; bij B. ook speculatief, maar wel met een ontologische binding aan de werkelijkheid (nog geen empirische).

De evolutie van de religie bij de Grieken:
a. Wijsbegeerte eerst geheel binnen de religieuze mythen
b. Wijsbegeerte wordt rationeel, mythen en het numineuze ernaast
c. Het theale wordt geincorporeerd in het rationele, zoals bij Aristoteles die het aan de top van zijn rationele filosofie zet; geen plek voor het numineuze of het mysterium tremendum
d. Wijsbegeerte vervolgens weer overwoekerd door religie (Plotinus)

De Ionische Monisten:
1. Thales: alles is water (arche=water)
2. Anaximander: verdieping, logische stap na Thales, geen concretisering (zoals water dat was): werkelijkheid wordt bepaald door eigenschappen, kwaliteiten, contrasten, daaruit volgt dat de werkelijkheid zelf kwaliteitsloos zijn, althans de arche ervan: het arche van Anaximander was dan ook het onbepaalde (to apeiron)
3. Anaximenes: arche=lucht. Lijkt een teruggang na Anaximander, maar is een handelbaardere versie of interpretatie van het to apeiron (lucht=ongrijpbaar).
4. Heraclitus: alles is vuur (arche=vuur). De contrasten, tegenspraken zijn een geheel.

Heraclitus

C. Het westers dualisme.
In het monisme was er een arche, of waren er horizontale contradicties als uitgangspunt of beginsel.
In het dualisme is er een verticale ordening: “Er is een substraat dat zelf niets tot stand kan brengen, passief is, als zijnde niet-transcendent en wordt aangegrepen door een transcendent principe, dat door deze ingreep en beinvloeding de eigenlijke werkelijkheid tot aanzien brengt” (p.144). De Logos van Heraclitus beantwoordt hier niet aan, die is immanent, niet transcendent.

Pythagoras is de vader van het dualisme.

1. Hij had geen kennis van Milesische (Thales, Anaximenes etc.) tijdgenoten: een eigen begin.
2. Is geen filosoof maar oprichter leefgemeenschap met religieuze uitgangspunten (van Orfische oorsprong).
3. De scheiding tussen lichaam en geest als religieus (praktisch-ethisch van aard) beginsel, maar tot filosofeem gemaakt.
4. Symmetrie en het getal leidt tot innerlijke zuiverheid.

Xenophanes: merkwaardige tussenvorm tussen Pythagoras en Parmenides. Hij rekende af met mensvormige godsvoorstellingen. Hij gebruikte termen voor god als: bolvormig (bij Pythagoras de vorm der vormen), onbeweeglijk, onveranderlijk. Zo beschreef Parmenides het Absolute Zijn.

Pythagoras had veel invloed op Plato: “Heel de Oude Academie is feitelijk Pythagoreisch.” (p. 148) Begemann bedoelt waarschijnlijk dualistisch.

“De dualistische kosmologie bereikte in de Oudheid haar hoogte- en eindpunt in het vorm-materieschema van Aristoteles.” (p. 148)

11 October 2005
By on 12:43